Hier zijn de persoonsgegevens van Aäron:
Aäron (Hebreeuws אַהֲרֹן, ’ahǎron, herkomst en betekenis onduidelijk, mogelijk van het Egyptische rn "groot is de naam (van God)" of via een andere wortel "tentman"[1]) was volgens de Hebreeuwse Bijbel de broer van Mozes en de eerste hogepriester van de Israëlieten en daarmee stamvader van alle Israëlitische priesters.
Exodus
Aäron was de zoon van Amram en Jochebed, beiden uit de stam Levi, en was de broer van Mozes en Mirjam. Dat Mirjam in Exodus 15:20 zus van Aäron wordt genoemd en niet van de veel belangrijkere Mozes doet vermoeden dat Mozes pas vrij laat in de literaire overlevering broer van Aäron en Mirjam werd.
Hoewel drie jaar ouder (Exodus 7:7) was Aäron minder belangrijk dan Mozes. Als ze beiden worden genoemd, wordt vrijwel altijd eerst Mozes genoemd. Anders dan bij Mozes spreekt JHWH slechts zelden direct tot Aäron (bijvoorbeeld in Leviticus 10:8) maar meestal via Mozes (bijvoorbeeld in Exodus 7:19).
Aäron wordt in het boek Exodus ten tonele gebracht in het verhaal over de roeping van Mozes. Aäron moest Mozes bij zijn opdracht om de Israëlieten uit Egypte te leiden ondersteunen door zijn spreekvaardigheid (Exodus 4:14, 30). Gezamenlijk traden Mozes en Aäron op voor de farao van Egypte (Exodus 5:1; 6:26, 27) en toonden JHWHs superioriteit in het verhaal van de tien plagen. Het was Aäron die in deze verhalen optrad als wonderdoener. Zijn staf werd een slang, die de slangen verslond die de Egyptische priesters uit hun staven toverden (Exodus 7:8-13). Aansluitend werden met zijn staf de eerste drie plagen opgeroepen (Exodus 7:14 - 8:15). Maar hierna verdween Aäron naar de achtergrond en hij komt niet voor in de vijfde tot en met de negende plaag. Dit verschil kan worden verklaard doordat Aäron in de "Priestercodex" (P) een rol aangemeten kreeg die hij in de niet-priestercodexgeschriften nog niet had.[2]
Mythologie waar Aäron bij hoort: Christelijk
Attributen: -
Aäron is de broer van Mozes en Mirjam.